
De Zierenberg Sonata
door Quinten van den Broeck (Dutch)
8/31/202519 min read
Ik dacht dat ik al één en ander wist over dromen; over hoe je je leven kan dromen en vervolgens die dromen kan beleven. Anderhalf jaar lang had ik door Zuid-Amerika gereisd, alleen maar mijn eigen goesting en mijn eigen verlangens achterna. Om terug te leren dromen met je eerst en vooral vrij zijn. En daarvoor moet je veel tijd met jezelf doorbrengen. Jezelf bevrijden van alle verwachtingen die anderen je bewust of onbewust hebben opgelegd. Langzaam komen in die stilte dan je diepste zielsverlangens naar boven geborreld. Ze beginnen klein, maar groeien naarmate je ze voedsel geeft. Tot je op een gegeven moment dromen begint te vervullen die je nooit voor mogelijk had beschouwd. En wanneer je dat soort dromen begint te beleven, gaat het leven zelf als een droom aanvoelen. Niks is nog toevallig, alles lijkt mee te bewegen. Je bent de onbetwiste hoofdrolspeler van je eigen leven. Het universum werkt met je mee.
Charlotte vertelde me over haar droom. Ze had samen met een Iraanse muzikant een voorstel ingediend voor een wind kunstfestival ergens in Duitsland. Het moest een tempel van bamboe worden die zou fluiten in de wind. Ik wist niks van bamboe en nog minder over fluiten. En de enige wind kunst die ik maak zijn de zeer luide, langgerekte scheten die ik op begenadigde dagen produceren kan. Maar ik raakte geïntrigeerd door haar filosofie. Tijd doorbrengen al bouwend in de elementen. Connectie maken met het landschap. Op een bewuste manier mensen samen brengen. Er samen iets mee maken, zonder dwang, al spelend creëren, iedereen uitnodigen zichzelf te zijn en iets van zichzelf te steken in het project. Het beloofde een experiment te worden van anarchistische organisatie. Ik was verkocht. Ik besloot een dromer te volgen en belandde in een droom. En het was zo dat ik leerde dat je dromen ook samen kan dromen en dat ze even intens, wonderbaarlijk en mysterieus kunnen worden als die grote dromen waarvan ik was gaan geloven dat ze de mensen ofwel wegduwen ofwel versmachten.
Het windkunstfestival vond plaats in Zierenberg. Een pittoresk dorp in centraal Duitsland, gelegen in een idyllische vallei omgeven door heuvels en bos. De heuvel waarop we onze bamboetempel zouden bouwen was magnifiek. Een glooiende bloemenweide die baadt in de zon, een oude wilg die schaduw biedt, een vulkanische heuvel van waarachter de maan ‘s avonds haar opwachting maakt en beneden in het dal Zierenberg, gezapig en tijdloos, gedomineerd door zijn robuuste kerktoren. Deze heuvel werd ons heiligdom. Hier zouden we onze tempel bouwen terwijl we onze huid lieten bruin branden door de zon. Hier zouden onze zielen elkaar raken.
Ali had het project uitgewerkt rond een gedicht van Rumi. Hij was opgegroeid met die gedichten. Hij was uit Iran naar België gevlucht om zijn militaire dienstplicht te ontlopen. Hij had veel last van heimwee, zag bovendien af van een gebroken hart. Misschien had hij daarom het gedicht over het rietbed gekozen; een gedicht dat over ontheemde rietstengels gaat die huilen in de wind, verlangen naar de verloren geborgenheid en eenheid van het rietbed van waar ze geoogst werden. Ali was erbij toen we de bamboe gingen oogsten in België. Hij was te laat en toen hij eindelijk arriveerde was het alsof hij het gewicht van de wereld op zijn schouders droeg. Maar terwijl hij gehuld in zijn melancholisch stilzwijgen met ons meewerkte en de geoogste bamboe van bladeren en twijgjes ontdeed met lange halen van zijn machete, veranderde er iets in hem. Alsof hij niet alleen de bamboe, maar ook zijn ziel gepolijst had tijdens die meditatieve monotone arbeid. Hij was verlamd geweest door vertwijfeling. Eén dag van deugddoende arbeid op een zonovergoten zomerdag had de mist in zijn hoofd doen opklaren.
De twijfel was nog steeds groot tijdens die eerste paar dagen op de heuvel. Ali had het initiatief genomen, dit vreemde kunstfestival ontdekt en Charlotte overtuigd om samen met hem een inzending te doen. Maar Charlotte was de drijvende kracht die ons tot in Zierenberg had gebracht. Het was zij die een team van vrijwilligers had verzameld, de plannen had getekend en de logistieke puzzels had opgelost om van het concept een project te maken. Het contrast in energie kon bijna niet groter zijn. Charlotte vol passionele overtuiging, haar twijfels voor iedereen verborgen; Ali mistroostig en verteerd door wanhoop, zich luidop afvragend of er wel genoeg wind zou zijn om zijn in bamboe gekerfde fluiten te doen zingen. Een amusant duet tussen een drammende flamencogitaar en een weifelende fagot.
Maar op de derde dag, de dag dat de volle maan door de wolken brak, hoorden we de fluiten voor het eerst zingen. Iets wezenlijk veranderde in dat moment. Ik was er getuige van hoe Charlotte en Ali naast elkaar zaten tussen het bos van bamboefluiten. Hoe het begon te zingen toen er een sterke avondlijke bries opstak. Hoe het exact klonk als het geweeklaag van rietstengels die heimwee hebben naar het moederlijke rietbed. Hoe volmaakt het uitdrukking gaf aan de gevoelens van weemoed en verlangen van Ali. En hoe fel de maan scheen vanachter de snel bewegende wolkensluiers. Een wolk in de vorm van een arend. Een uil die riep in de verte en een teder gesprek tussen twee vrienden. Twee rietstengels uit een ander rietbed ontheemd die een beetje thuiskomen bij elkaar in een moment dat voor eeuwig in de ziel staat gegrift. Van dat alles mocht ik getuige zijn en ik zweer het: wat daar plaatsvond was niet meer of niet minder dan pure alchemie: de alchemie van de ziel; de versmelting van twee zielen die elkaar verheffen, doen transformeren tot iets meer. Charlotte, de felle maan die Ali de moed gaf om zijn lied te zingen. Het lied van Ali dat de maan opnieuw leerde voelen. Twee kunstenaars die vriendschap smeden tot kunst en omgekeerd. Twee mensen die elkaar meer mens maken.
De bamboetempel bestond uit zes koepels, elke koepel uit drie bogen. Zes koepels voor zes mensen: Charlotte, Ali, Lucas, Silas, Mattijs en ikzelf. Net als de zes mensen hadden ook de zes koepels elk hun persoonlijkheid. Ze werden niet alleen geoogst, gebonden en gebogen met onze eigen handen - ze werden ook met betekenis bezwangerd door de momenten die we er rond en er onder creëerden. De eerste koepel werd Slightly Stupid gedoopt. Hij was minder rond gebogen dan de anderen. Er zat een beetje een kink in. Hij kwam symbool te staan voor die eerste aarzelende avonden van elkaar leren kennen, het ontstaan van de eerste inside jokes - slightly stupid - de luchtige zelfrelativerende onnozelheid die iedereen de ruimte gaf zichzelf te zijn. Het idee van de tempel was dat de koepels in een spiraalvorm bewegen naar een centrum: het oog van de storm. En net zoals de storm intenser wordt naarmate je er dieper in beweegt, zo werden in de loop van de dagen de momenten die we samen deelden in en rond de nieuw gebouwde koepels steeds dieper en intiemer.
De tweede boog werd voltooid op de dag van de volle maan. Haar naam werd Luna. Bij de ondergaande zon speelde Ali op zijn dwarsfluit onder haar gewelf. De rest van ons keek in vervoering toe. Het begon ons toen te dagen wat voor een onwaarschijnlijk mooie plek dit Zierenberg was en wat voor krachtige magie zich hier aan het voltrekken was.
Onder de derde boog hadden we een feestje. Het was hier dat Charlotte ons onze t-shirts gaf. Het was de geboorte van haar bedrijf. Van nest. Nido. Het was ook de eerste avond dat we door de telescoop van Mattijs keken. We zagen de maan, in al haar grillige glorie. We zagen Saturnus met haar ring en haar manen. Ik zag Iapetus, een ijsmaan die op drieënhalf miljoen kilometer afstand in het grote niets rond Saturnus zwerft. En we vonden ook de Hercules cluster: een verzameling van tweehonderd sterrenstelsels, 25.000 lichtjaar van ons vandaan. We keken lang en ver in de peilloze diepten van het heelal en ontdekten dat wie leert kijken alsmaar meer sterren ziet. Hetzelfde principe geldt voor mensen: hoe langer en aandachtiger je blijft kijken, hoe meer mens, hoe meer schoonheid je ziet.
Ook de bloemen op onze heuvel leken elke dag in aantal toe te nemen. Ik werd me ook dag na dag bewuster van de wind. Hoe ze de grassprieten en bloemen deed wiegen, dansen bijna. Hoe ze mijn huid streelde, de bladeren van de bomen deed ruisen in de wind, elk blad zijn eigen verhaal, zijn eigen geluid. Op een bloedhete dag zochten we de schaduw op onder de brede kruin van de oude wilg. Dankbaar voor de luwte die hij ons bracht, bewonderden we dit mysterieuze wezen. Silas legde uit hoe bomen niet uit de grond, maar uit de lucht groeien. Dat ze voor meer dan tachtig procent uit koolstof bestaan dat ze uit de lucht halen, door de koolstofdioxide af te breken die de wind haar toe waait. Het was de eerste keer dat ik besefte dat bomen van lucht en zonneschijn gemaakt zijn. Hoe langer ik op deze wereld ben, hoe meer ik het gevoel krijg dat ik er niets van begrijp, me in het midden van een langdradige, absurde mop bevind die verzonnen wordt terwijl ze wordt verteld, en waarvan de clou me maar blijft ontgaan.
En terwijl we daar gezellig zaten met zijn allen in de lommert onder zijn takken, was deze oude wilg, dit schepsel van de wind, er getuige van hoe Ali als een profeet van de heuvel neergedaald kwam, ons vergezelde en elks van ons een gedicht van de Soefi mysticus Hafez voorlas. Elk gedicht een herinnering aan wie we altijd al waren en wat we in dit leven komen doen. Een beroep op de waarheid die we reeds kenden omdat ze in onszelf zit.
De vierde koepel werd rechtgezet op de vooravond van de nacht waarop de perseïden storm op zijn hoogtepunt was. Het was de warmste dag van onze Duitse zomer en we brachten de nacht door onder de blote sterrenhemel. De koepel was ons hemelbed. De fluiten waren op zo’n manier tussen de verschillende bogen bevestigd dat ze het sterrenbeeld Casiopeia spiegelden. We zagen meer vallende sterren dan we wensen hadden. De overweldigende rijkdom van het moment had onze verlangens ingehaald. De wereld was voor even volmaakt.
En zo kabbelden de dagen voort. Van het ene moment van volmaakt samenzijn naar het volgende. De dag beginnen en samen de afwas doen, koffie zetten, brood kopen, het ontbijt voorbereiden, … Het was alsof elke banale handeling met de dag rijker, betekenisvoller werd. De liefde tussen deze zes willekeurig bij elkaar verzamelde mensen groeide samen met de tempel in bamboe die we aan het bouwen waren. Het eten smaakte steeds beter, de gesprekken werden dieper, de knuffels en oogcontact momenten werden steeds langer en intiemer; de jamsessies en improvisaties alsmaar ontroerend schoner en bevrijdender en mijn scheetmoppen steed slechter - al weerhield dat niemand ervan om er smakelijk mee te blijven lachen.
We waren met z’n allen verwikkeld in een melodie, een langgerekte improvisatie waarin al onze respectievelijke persoonlijkheden in perfecte harmonie tot hun volle recht kwamen. De laatste twee bogen bouwden we nog bewuster dan de vorige. Van elke handeling genietend, wetende dat het straks voorbij zou zijn. Want het einde naderde. Lucas en Silas bouwden een meditatieplatform. Lucas voorzag de laatste koepel - het oog van de storm - van een hoofdsteun in macreamé. Hij deed het met zo’n toewijding en aandacht dat het een liefdesverklaring was.
Op onze laatste avond samen maakten we tot diep in de nacht muziek. Deze keer waren er geen muzikanten en toeschouwers, iedereen was beide tegelijk. Zelfs een onbehouwen muzikale analfabeet als mezelf slaagde er in om mee te jammen. En zelfs de soms zo behoedzame jonge samurai-vikinggod Silas liet ongegeneerd in zijn grote hart kijken en zong uit volle borst zijn eigen lied. En misschien nog het meest wonderlijke van allemaal: Lucas en Mattijs, die eerste avond beide nog te verlegen om een gitaar vast te houden, geïntimideerd door het genie van Ali, het vuur van Charlotte, ontpopten zich nu tot ware gitaargoden die ons in een Dionysische roes brachten. In het midden van de spiraal van bamboeschelpen gezeten, bereikten we zo samen een climax, een muzikaal orgasme dat de culminatie was van bijna twee weken samen werken, samen leven en samen genieten. Toen we uitgezongen waren bleven Mattijs en Lucas verder tokkelen, verloren in hogere sferen, terwijl wij onze hoofden op elkaars dijen te rusten legden in een volmaakte kring van hippieliefde.
De volgende dag bracht ons naar een tweede orgasme. Zonder duidelijk plan wandelden we de vulkanische heuvel op om een uitzicht te krijgen over de vallei. We volgden een wandelpad dat aangegeven was met een arendshoofd. Het was geen toeval. Onderweg terug van de oogst in België had ik, half slapend, Charlotte al aan Ali horen vertellen over de cyclus van de slang, de jaguar, de kolibri en de arend. Het komt er op neer dat je leven in dit soort cycli verloopt waarbij je telkens door een fase van de slang moet gaan, waarbij je dode huid verliest, laag bij de grond zit; vervolgens je innerlijke jaguar moet vinden om strijd te leveren voor de dingen die je wil; dan in de fase van de kolibri terechtkomt waarin je geniet, aan de bloemen ruikt en tenslotte, in de laatste fase als een arend boven alles uit toornt om te overschouwen welke weg je hebt afgelegd, welke transformatie je hebt ondergaan en wat voor moois je in de wereld hebt gebracht.
Voor Charlotte was dit zo’n arend moment en toen we boven op de berg uitkwamen bij een oude stenen wachttoren was het voor iedereen duidelijk dat we hem beklimmen moesten, zo hoog mogelijk moesten zijn. In de top van de toren, hoog in de blauwe lucht, genoten we van de aanraking van de wind en de zon op onze huid. Charlotte en Ali improviseerden een melodie die me zo in vervoering bracht dat ik ervan moest huilen. De onwaarschijnlijke schoonheid van de ervaring van mijzelf te zijn, dit leven te leiden en momenten als deze te mogen beleven, drong tot me door. Dit was een moment voor de eeuwigheid. Alsof heel de omgeving, de geologische processen die de vallei en de heuvels gevormd hadden, de wilgenboom, de bloemen en het slaperige dorpje Zierenberg zelf op ons hadden liggen wachten, reeds miljoenen jaren lang aan een symfonie bezig waren waar wij nu voor altijd deel van uitmaakten, waarvan ons lied het voorlopige hoogtepunt was.
Terug beneden, aan de voet van de toren, gaf Lucas ons elks een amulet van bamboe en macramé die hij in alle stilte voor ons had zitten maken de laatste paar avonden. Het voelde als een ritueel, een talisman die ons er straks, wanneer we uit de droom zouden ontwaken, aan zou moeten herinneren dat we dit moment, deze Zierenberg Sonata, effectief samen beleefd hebben. Dat het gebeurd is en op een manier voor altijd aan het gebeuren zal zijn, daar waar de tijd geen voorbijgaand moment is maar een plek die je steeds opnieuw kan bezoeken.
